Na de brief konden de rectoren over tot de bestuurlijke orde van de dag
Verschenen in Trouw, 15 juni 2024
Eén van de geheime geneugten van het schrijven van een column: je hoeft met niemand in gesprek. Ik kan hier mijn mening verkondigen zonder dat iemand me in de rede valt of na afloop een kritische vraag stelt, waar ik dan iets mee moet. Ja, er belt weleens een redacteur over een te lange zin of een verkeerd gekozen woord. Maar het stelt weinig voor als je het vergelijkt met wat er gebeurt als ik aan de lunchtafel of thuis op de bank een standpunt inneem. Nog voor ik uitgesproken ben, is er dan wel een collega met een tegenargument of een familielid met een lastige vraag die me verhindert om te gaan genieten van mijn eigen gelijk.
Dus ik snap het wel, dat de rectoren van de universiteiten vorige week een stuk in Trouw schreven om uit te leggen wat hun standpunt is over samenwerken met Israëlische universiteiten. Heerlijk, je schrijft op wat je wilt zeggen, het komt in de krant, en jij kunt over tot de bestuurlijke orde van de dag.
Maar als lezer is het lastig, want na het stuk bleef ik zitten met mijn vragen. Zoals: wat wás het standpunt nu eigenlijk?
De rectoren schreven: ‘Als de in het academische ethos verankerde waarden – waarin de mogelijkheid tot een open en academisch debat de minimale vereiste is – samenwerking met Israëlische en Palestijnse universiteiten niet in de weg staan, zie wij geen reden om die banden te heroverwegen of te verbreken.’ Ik vind dit een ingewikkelde zin, maar als ik het goed lees, staat er: wij willen met Israëlische en Palestijnse universiteiten samenwerken als die samenwerking niet ingaat tegen onze academische waarden.
Terzijde: waarom de rectoren Palestijnse universiteiten expliciet noemen is me een raadsel. Het zal wel iets te maken hebben met hun wens om ‘alle bestaande visies binnen de academische gemeenschap ten aanzien van het conflict een podium te geven’. Maar ik geloof niet dat ik aan de universiteit iemand heb horen bepleiten dat we niet met Palestijnse universiteiten zouden moeten samenwerken. Het probleem daar is vooral praktisch van aard: we kúnnen niet met ze samenwerken, omdat Israël ze kapot gebombardeerd heeft.
Terug naar het punt: alleen samenwerken als dat niet ingaat tegen onze waarden. Tja, dat lijkt me logisch. Maar daar gaat de discussie niet over. Het punt is dat sommige academici vinden dat samenwerken met Israëlische instellingen wél ingaat tegen onze waarden, en andere vinden van níet.
De rectoren zijn hier wat vaag over, maar lijken te neigen naar dat die samenwerking meestal niet problematisch is, zonder in te gaan op veel van de argumenten tegen die samenwerking. In reactie op de rectoren schreven veel tegenstanders van samenwerking die argumenten nog maar eens op – in Trouw, in de Volkskrant, in universiteitsbladen.
Ware het een gesprek geweest, dan hadden de rectoren vervolgens alsnog op die argumenten moeten reageren. Niets terugzeggen als er iemand tegenover je zit, is nogal onbeleefd. Maar het was geen gesprek, het was een stuk in de krant, en dus hoorden we deze week van de rectoren niets dan oorverdovende stilte.
Maar ik heb de hoop nog niet verloren, want in hun stuk schreven de rectoren ook: ‘Het aangaan van het open, academisch gesprek en debat, juist in deze moeilijke, polariserende tijd weegt voor ons heel zwaar.’ Ik vertrouw erop dat ze deze woorden van daden zullen voorzien, en dat elk van de rectoren nog voor de zomer op de eigen universiteit een heus gesprek organiseert met de eigen academische gemeenschap. Een gesprek, waar iedereen welkom is, alle vragen gesteld kunnen worden, en er op al die vragen een inhoudelijk antwoord komt. Een echt open, academisch debat. Ik zie ernaar uit!