Ook die door mij gevoelde spiraaltjeskramp kon eigenlijk niet. Zei de zorgverlener althans

Verschenen in Trouw, 5 juli 2025

“Dat kan eigenlijk niet”, zei de zorgverlener van dienst. Het ging over mijn hormoonspiraaltje, een Mirena, dat vervangen moest worden. De zorgverlener had gevraagd of ik vorige keer last gehad had van het plaatsen. Niet echt, vertelde ik, maar wel in de weken erna: toen had ik af en toe flink pijnlijke buikkrampen gehad. Vervelend, maar hanteerbaar zodra ik het juiste pijnstillingsregime had uitgedokterd.

Ik twijfelde er niet aan dat die krampen gerelateerd waren aan het net gezette spiraaltje. Ze kwamen voor het eerst een week of drie na plaatsing. Het was een pijn die ik nooit eerder had gehad. En toen het spiraaltje een tijdje zat, verdwenen ze weer – alsof mjin baarmoeder had ontdekt dat de nieuwe bewoner niet weg te krijgen was, en daarom haar aanwezigheid maar accepteerde, en verdere uitdrijfpogingen staakte.

De zorgverlener zag dit anders. Buikpijn direct na plaatsing, ja, dat gebeurde, maar weken later nog? “Dat kan eigenlijk niet.”

Dit speelde krap twintig jaar geleden. Het schoot me deze week weer te binnen, omdat ik in Trouw een interview las met sociologen Wieke Beumer en Jenneke van Ditzhuijzen. Zij werkten mee aan het pas verschenen rapport Het begint met luisteren, over omstandigheden en zorgervaringen rondom onverwachte zwangerschappen. De eerste aanbeveling daarin: (sommige) zorgverleners zouden meer kunnen luisteren. Mensen die met een onverwachte zwangerschap te maken hebben gehad, voelen zich door zorgverleners niet altijd gehoord.

Neem gesprekken over anticonceptie. Vrouwen wisselen hormonale anticonceptie soms in voor andere, mogelijk minder betrouwbare methodes vanwege bijwerkingen (en niet, zoals je ook weleens hoort, omdat ze toevallig een influencer hebben horen zeggen dat hormonen slecht zijn). Sommige vrouwen proberen die bijwerkingen eerst te bespreken met hun huisarts, maar dat lukt niet altijd, omdat artsen de bijwerkingen soms niet erkennen. Van Ditzhuijzen geeft in Trouw een voorbeeld: “Bijvoorbeeld een arts die over een ervaren bijwerking zet: ‘Dat kan eigenlijk niet’”.

Dat helpt niet, als je als vrouw die bijwerking wel degelijk ervaart. Bovendien klopt het vaak niet.

Omdat ik toch op het internet zat, googelde ik meteen even de huidige bijsluiter van de Mirena. Daarin las ik: ‘In de eerste maanden na het inbrengen van Mirena kunnen buik- of rugklachten voorkomen. Meestal verdwijnen deze klachten spoedig.’ Aha. Het kon dus wél.

Wellicht stond dit twintig jaar geleden nog niet in de bijsluiter, en zei mijn zorgverlener daarom dat ‘het eigenlijk niet kon’. Wat ze bedoelde was ‘er is op dit moment geen bewijs voor’. Dat is meestal wat zorgverleners bedoelen als ze zeggen dat iets niet kan.

Maar dat ergens geen bewijs voor is, betekent niet dat het niet kan. Het kan ook betekenen dat we niet weten of het kan, omdat het nooit onderzocht is. Wetenschappers onderzoeken veel, maar ze onderzoeken nog veel meer niet. Omdat ze er geen geld voor hebben, of geen tijd, omdat ze niet weten hoe het moet, of omdat het ze niet interesseert.

Bijwerkingen van hormonale anticonceptie is zo’n onderwerp dat vaak niet aan de beurt kwam. Dat komt omdat dat een vrouwenzaak is. Wetenschap wordt nu eenmaal gevormd door de maatschappij, in de maatschappij zijn mannen nogal lang tamelijk dominant geweest, en dus is vooral het mannenlichaam onderzocht.

Gelukkig verandert dat nu, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de Nationale Strategie Vrouwengezondheid, die demissionair minister Daniëlle Jansen afgelopen woensdag lanceerde. Die omvat 27,5 miljoen euro voor onder meer onderzoek naar vrouwengezondheid. Uitstekend idee, en wellicht levert dat ook meer kennis op over bijwerkingen van pil en hormoonspiraal. Maar dan nog: volledig zal onze wetenschappelijke kennis nooit worden.

Dat geeft niet – zolang het zorgverleners maar lukt om hun ‘dat kan eigenlijk niet’ in te slikken, en in plaats daarvan eerst eens te luisteren.