Vijf jaar terug waren we collectief moedeloos, maar wie heeft het daar nog over?
Verschenen in Trouw, 1 november 2025
De tijdelijke verzwaring van de gedeeltelijke lockdown, kent u hem nog? Maandag is het precies vijf jaar geleden dat hij aangekondigd werd door het destijds welbekende duo Rutte-De Jonge – beiden toen nog lijsttrekker, ook politiek waren het andere tijden.
Om uw geheugen op te frissen: we hadden sinds 14 oktober 2020 een gedeeltelijke lockdown, op 3 november werd die ‘tijdelijk verzwaard’, op 19 november gingen we terug naar de gedeeltelijke lockdown, die half december dan weer uitmondde in een volledige lockdown, met dichte scholen, sluiting van ‘niet-essentiële’ winkels, kerstdiners via Zoom, een avondklok vanwege ‘de Britse variant’, en, tussen oktober en maart, ruim vijftienduizend mensen die overleden aan corona, ondanks die lockdown.
Allemaal fenomenen waar je nauwelijks nog over hoort, want wie heeft het nou nog over corona? Ja, afgelopen voorjaar, toen de eerste lockdown vijf jaar geleden was, hadden we een golfje herdenkingsartikelen.
Terwijl, die eerste lockdown, dat was niets. Althans, het was doffe ellende, zeker voor wie corona kreeg, in de zorg werkte of in een verpleeghuis woonde – maar er was ook hoop, optimisme en een eindeloze hoeveelheid zon. Je kon nog denken dat dit een kwestie was van ‘even de schouders eronder’, en dan zou het voorbij zijn. En er was de belofte van een betere wereld aan de andere kant van de tunnel: dankzij deze ‘reset’ zouden we eindelijk inzien wat er echt toe doet, we zouden het leven vieren, de klimaatdoelen halen en onze dierbaren koesteren.
Dat soort sentimenten vond je in de tweede lockdown weinig. Wie had er toen nog de energie om de schouders ergens onder te zetten, laat staan om te klappen voor de zorg? Wie geloofde nog dat de wereld ooit zou veranderen? En waar kon je, diep in de herfst, nog van de zon genieten?
Dat gebrek aan perspectief maakt dat ik, als ik een geschiedenis van de coronajaren zou schrijven, niet zou openen met de persconferentie van 12 maart 2020, maar met die van 3 november. De tijdelijke verzwaring van de gedeeltelijke lockdown als de hamer die het laatste restje hoop verbrijzelde, en alle net weer opgebouwde kaartenhuizen in elkaar deed storten. Niemand geloofde toen nog echt dat dit niet uit zou lopen op een volledige lockdown, en iedereen wist dat er aan die lockdown helemaal niets intelligents zou zijn.
Ik herinner me die periode als één van collectieve moedeloosheid – maar ik weet niet of anderen dat ook zo zien, want ik praat er nooit met iemand over. In de publieke ruimte is het soms alsof corona nooit bestaan heeft, of hooguit een kort intermezzo was, zonder blijvende consequenties, afgezien van een carrièreswitch hier, een coronahobby daar, en her en der wat inmiddels vrijwel weggewerkte leerachterstanden.
Voor sommige mensen is dat misschien ook wat het was. Maar voor veel mensen was het meer dan dat. Voor de verpleegkundige die zichzelf zo kapot gewerkt heeft dat ze het nog voelt. Voor de kleindochter die nooit afscheid van haar opa heeft kunnen nemen, die tijdens de eerste golf in een afgesloten verpleeghuis overleed. Voor de destijds verkouden vader die niet bij de geboorte van zijn kind mocht zijn. Voor de student die ging Dansen met Janssen, en vier jaar later nog steeds niet afgestudeerd is, want long covid. Voor de ouder die nog altijd geen kind kan horen hoesten zonder een fysieke stressreactie (beslisboom neusverkouden kinderen!) te voelen. Voor de werknemer die na twee dagen thuiswerken weer dat gevoel van opsluiting ervaart.
Corona heeft sporen nagelaten. Die zijn niet overal even diep – de long-covidpatiënt en de zorgmedewerker voelen ze ongetwijfeld meer dan de thuiswerker en de ouders. Maar ze zijn er. En het zou, denk ik, geen kwaad kunnen om daar iets meer aandacht aan te geven.