Wie lukt het om te luisteren naar wat deze sneeuw ons echt vertelt?
Verschenen in Trouw, 10 januari 2026
Wie denkt dat sneeuw wit is, heeft nooit echt sneeuw gezien. Als u afgelopen week een beetje om u heen gekeken heeft, terwijl u naast uw fiets of voor een slee liep, dan weet u wel beter. Wit is pas het begin.
Witte sneeuw wordt heldergeel als er een hond, kind of gestrande treinreiziger op plast; bruingrijs als het smeltend mengt met aarde; blauwpaars als de avond valt. Witte sneeuw fonkelt als de zon haar raakt, en geeft licht als de maan erop schijnt.
Sneeuw heeft niet alleen meer dan één kleur, het maakt ook meer dan één geluid. Sneeuw knispert als het vers is, knerpt als het wat langer ligt, en krast en kraakt als het ineen geduwd is tot een ijslaag. Gesmolten sneeuw drupt van het dak, en sopt als je erop loopt. Tegelijk is sneeuw: stilte. Het stopt de auto’s, treinen, vliegtuigen; het dempt de geluiden die er overblijven – spelende kinderen uitgezonderd.
Ik zag en hoorde veel sneeuw, deze week, want ik liep naar mijn werk, drie kwartier heen, drie kwartier terug. Tijdens het lopen dacht ik aan een essay van Zadie Smith, Elegy for a Country’s Seasons. Een elegie, een treurzang, voor de seizoenen van een land.
Smith schrijft over wat we verliezen als het weer verandert. Kleine dingen zijn het, voor elk land anders. Knerpende sneeuw, krassende schaatsen, frisgroen gras midden in de zomer, een voorruit vol dode vliegjes.
We missen, stelt Smith, de woorden voor dat kleine verlies, terwijl juist die woorden ons zouden kunnen helpen. Nu praten we over klimaatverandering in de taal van de natuurwetenschap, of van de ideologie, maar die kan dit verlies niet vangen.
De apocalyptische ellende van smeltende ijskappen, zeespiegelstijgingen, stilvallende golfstromen en gepasseerde kantelpunten verlamt ons. De taal van het kleine verlies, een treurzang voor onze seizoenen, die vertelt wat we hier, vlakbij huis, kwijtraken, zou ons aan kunnen zetten tot actie.
Smiths essay verscheen in 2014. We zijn twaalf jaar verder, en qua klimaat nog niet echt opgeschoten. Wel is er veel gebeurd in de zoektocht naar andere, betere woorden. Activisten, kunstenaars en klimaatonderzoekers gieten de bekende boodschap voortdurend in nieuwe vormen. Steeds meer van hen proberen daarbij ook ‘de natuur een stem te geven’.
Een politieke stem, zoals in de meersoortige beraden van filosoof Eva Meijer, waarin niet-menselijke dieren en planten meebeslissen over politieke keuzes. Een juridische stem, zoals in de beweging om rivieren, zeeën en andere natuur tot rechtspersoon te maken. Een vertelstem, zoals in Arita Baaijens’ boek In gesprek met de Noordzee.
Voor al die stemmen geldt dat je ze alleen kunt laten klinken als het je lukt om naar de taal van de natuur te luisteren. Soms helpt de wetenschap daarbij, maar voor wie echt naar de natuur wil luisteren kan de taal van de wetenschap ook, net als bij Zadie Smith, nogal in de weg zitten.
‘Waarom sneeuwt het nu zo veel?’, kopte nos.nl vorige week vrijdag, wat je met de kennis van nu enigszins prematuur zou kunnen noemen. Het bijbehorende artikel verhaalde over lagedrukgebied Anna, noordwestenwinden, relatief warm zeewater en koude bovenluchten.
Dat klopt natuurlijk allemaal, maar, dacht ik deze week, zou het kunnen dat al die wetenschappelijke termen ons het zicht ontnemen op wat hier werkelijk aan de hand is, en ons doof maken voor wie hier spreekt? Wat nu als we die sneeuw nietzien als het gevolg van een lagedrukgebied? Krijgen we dan de ruimte om haar te horen als de stem van de natuur?
Een stem die een treurzang op de winter zingt. Die ons laat zien, voelen en horen wat we zullen verliezen. Het fonkelen, de stilte, ijsvrij, het knerpen, het soppen, het sleeën, het kraken. De straat die oplicht als je ’s nachts naar buiten kijkt. Het is ons allemaal nog één keer bezongen, en nu smelt het weg, vertelt het ons hoe het verdwijnt, om uiteindelijk nooit, nooit meer terug te komen.