Het oud-Hollandsche ‘nog een weekje aankijken’ is als medische interventie zo gek nog niet
Verschenen in Trouw, 20 juni 2026
Als Nederlandse artsen iets goed kunnen, dan is het zich zorgen maken dat ze te veel doen, zelfs als ze heel weinig doen. Neem kankerscreening. Trouw schreef vorige week over een pleidooi van hoogleraar radiologie Willem Mali en hoogleraar epidemiologie Yolande van der Graaf, dat eerder dit jaar verscheen in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Mali en Van der Graaf stellen dat kankerscreening wellicht niet zo zinvol is als het lijkt.
Het idee achter screening is simpel: kanker is ellendig, hoe verder gevorderd, hoe ellendiger, dus hoe eerder je erbij bent, hoe beter. Als je een kanker vroeg vindt, kun je hem weghalen voor het te laat is. Klinkt goed, maar de praktijk blijkt weerbarstiger. Niet alle kankers groeien even snel, sommige beginnende kankers verdwijnen vanzelf, andere groeien zo langzaam dat ze nooit problemen veroorzaken. Die kankers wil je juist niet vinden. Helaas, stellen Mali en Van der Graaf, er is steeds meer onderzoek dat suggereert dat je met kankerscreening juist vaak dat soort onschuldige kankers vindt, en behandelt. Screening leidt zo vooral tot onnodige behandeling, en verandert weinig aan de kankersterfte.
En dus, suggereren Mali en Van der Graaf, zouden we wellicht beter wat minder kunnen screenen.
Terwijl, in Nederland screenen we al heel weinig. Een Nederlandse vrouw van midden dertig wordt bij ons alleen gescreend op baarmoederhalskanker. Een even oude Duitse vrouw, daarentegen, kan daarnaast gescreend worden op borstkanker (in Nederland pas vanaf 50 jaar) en huidkanker (in Nederland in het geheel geen screening). En ook nog op hepatitis B en C, hart- en vaatziekten en diabetes, allemaal zaken waar de gemiddelde Nederlandse arts alleen bij daadwerkelijk relevante klachten onderzoek naar zou willen doen.
Heel Nederlands dus, om dan toch te pleiten voor nog minder screening.
Maar ook, vind ik, heel terecht. Mijn mening is natuurlijk deels gevormd doordat ik evengoed ben opgegroeid met een huisarts die het oud-Hollandsche ‘nog een weekje aankijken’ als belangrijkste medische interventie hanteerde. Maar inmiddels kan ik die mening ook met meer wetenschappelijke argumenten onderbouwen. Niet alleen medici als Mali en Van der Graaf, maar ook sociologen en historici plaatsen regelmatig kritische kanttekeningen bij kankerscreening. Het kan leiden tot overbehandeling. Het creëert angst en onrust. Het maakt het moeilijker om te vertrouwen op je eigen lichaam. Het is ingevoerd op basis van aannames waarvan we niet altijd weten of ze kloppen.
En toch, als ik over een jaar of wat word uitgenodigd voor een mammografie, dan ga ik; net zoals ik nu braaf elke vijf jaar een uitstrijkje laat maken. Hoeveel kritische kanttekeningen bij screening ik ook lees.
Dat komt, leerde ik uit diezelfde sociologische en historische literatuur, door een van de negatieve effecten van het aanbieden van screening. Screening maakt de individuele patiënt medeverantwoordelijk voor diens ziekte. Dat is niet de bedoeling, niemand wil het, maar zo werkt het wel.
Neem borstkanker. Stel, je besluit niet mee te doen aan het bevolkingsonderzoek, en anderhalf jaar later voel je een knobbeltje, ga je naar de dokter en blijk je borstkanker te hebben, uitgezaaid naar de lymfeklieren. Probeer dan maar eens weg te blijven van de gedachte ‘dit is mijn schuld, ik had naar die screening moeten gaan’. Ik zou het niet kunnen, ook al zou ik weten dat het best kan dat die kanker er tijdens het bevolkingsonderzoek wellicht nog niet (zichtbaar) zat. Ja, vast, maar toch.
Dat is het lastige met screening: als je niet meedoet, is het er toch, en dat doet iets met hoe je nadenkt over je lichaam, en over ziek-zijn. Het aanbieden van screening alleen al, verandert iets, en als individu kun je daar weinig tegen doen.
En daarom is het zo fijn dat medici als Mali en Van der Graaf zich, heel Nederlands, blijven afvragen: doen we niet te veel?