Het idee dat we de studenten ook níet centraal kunnen stellen; daar kunnen we van leren
Verschenen in Trouw, 4 april 2026
Door een gelukkig toeval – of, wie zal het zeggen, uitstekend timemanagement – had ik op een doodgewone werkdag ineens zowaar tijd over voor het serieuze historisch onderzoek waar ik in theorie bijna de helft van mijn werktijd in zou moeten steken, maar in de praktijk zelden aan toekom.
In het kader van dat onderzoek besloot ik door de Volkskrant van zaterdag 4 juni 1983 te bladeren. Digitaal, natuurlijk, want de eerste – of beter: laatste – historica die met papieren kranten werkt, moet ik nog tegenkomen. Mijn generatie doet, het zal u niet verbazen, alles online; de generatie voor mij tuurde eindeloos naar microfilms. De generatie na mij zal ongetwijfeld ChatGPT vragen het gezochte artikel aan te leveren, en daardoor nooit het wonder van de serendipiteit ervaren.
Want zoals dat gaat wanneer je door een krant bladert: onderweg kom je altijd iets interessanters tegen dan het artikel dat je eigenlijk zocht.
In mijn geval: een verslag van het afscheidscollege van Karel van het Reve, essayist, broer van Gerard, maar ook, en in juni 1983 vooral, scheidend hoogleraar Slavische letterkunde. Het verslag had de onweerstaanbare kop ‘Universiteiten zijn slechter geworden’. Kom er maar in, Karel, dacht ik, en begon te lezen.
Voor Van het Reve, zo bleek, was de universiteit in de eerste plaats een onderzoeksinstituut, waar wetenschappers met elkaar in gesprek konden. Ook weer niet te veel, trouwens, en zeker niet al te interdisciplinair, want ‘als er in de wetenschap iets interessants en nieuws gedaan is, dan is dat gedaan, meestal door eenlingen, door buitenbeentjes, door mensen die door hun collega’s althans met rust werden gelaten en hun gang konden gaan.’
Maar hun gang, dat kunnen wetenschappers al heel lang niet meer gaan, en met rust gelaten worden ze ook al niet. Dat was vroeger. Van het Reve vertelde hoe hij, lang geleden, eens de secretaresse van een hoogleraar datumstempels op de (persoonlijke) wijnflessen van die hoogleraar zag zetten. Was dat geen verspilling van gemeenschapsgeld, vroeg Van het Reve. Nee hoor, zei de hoogleraar, want als de secretaresse het niet deed, moest hij het doen, en dan hield hij minder tijd over voor de wetenschap.
Tja, krijg er maar eens een speld tussen.
Maar die tijd is allang voorbij, begin jaren tachtig al, want toen stond ineens, tot Van het Reve’s afschuw, niet langer de hoogleraar, maar de student centraal. Natuurlijk, de universiteit moest mensen opleiden, vond ook Van het Reve, maar dan hoefde nog niet alles om de studenten te draaien. Dat was slecht voor de universiteit, én voor de studenten.
Dan kreeg je, bijvoorbeeld, aanwezigheidsplicht, volgens Van het Reve net zoiets als de Russische doodstraf op verblijf buiten de landsgrenzen – je bent slavist of je bent het niet. Hoe kon een student iets leren van een college waar die niet wilde zijn? Hoe kun je als docent mensen onderwijzen die niet uit vrije wil naar je luisteren? Ja, dacht ik, dat vraag ik me ook weleens af.
Ook heel erg: werkcolleges. Van het Reve: ‘bij een hoorcollege ben je zelf aan het woord. Bij een werkcollege moet je luisteren.’ Naar, ook dat nog, een student, terwijl studenten helemaal niet kunnen uitleggen, dus niemand leert er wat van, aldus Van het Reve, die overigens wel duidelijk wilde stellen dat hij niet vond dat studenten dommer geworden waren.
Ik dacht ineens aan Merel Kamp, en het ‘Requiem voor een docent’ dat ze afgelopen weekend in NRC publiceerde. Kamp beschrijft de misère van studenten leren schrijven, en denken, in tijden van ChatGPT, onder een opleidingsbestuur dat ChatGPT wil omarmen, want tijden veranderen en ‘we moeten de doelgroep bedienen!’
Ach, dacht ik, hadden we maar naar Van het Reve geluisterd. Dat van die werkcolleges was natuurlijk onzin – niets leuker, en leerzamer, dan werkcolleges – maar het idee dat je de student ook niet centraal zou kunnen stellen, en dat die daardoor meer zou kunnen leren, dat idee had ons veel ellende kunnen besparen.