Hoe je van een oratie toch iets interessants maakt
Verschenen in Trouw, 18 april 2026
Als je hoogleraar wordt, mag je ineens van alles. Een toga dragen, je pensioen emeritaat noemen en op allerlei academische festiviteiten als laatste binnenkomen om vervolgens vooraan op een voor jou vrijgehouden stoel te gaan zitten. Nog zo’n voorrecht van de hoogleraar: een oratie geven, om zo het begin van je hoogleraarschap te markeren.
Een oratie is simpelweg een monoloog van drie kwartier. Niemand mag je onderbreken, niemand mag na afloop vragen stellen. En het is eigenlijk ook niet de bedoeling dat jij al te interactief met het publiek aan de slag gaat. Deze kaders komen de inhoudelijke kwaliteit van het geheel niet altijd ten goede, maar duidelijk zijn ze wel. Om met wiskundige en filosoof Bertrand Russell te spreken: wat de mensen echt willen, is geen kennis, maar zekerheid.
En, het moet gezegd, soms levert die drie kwartier eenrichtingsverkeer echt pareltjes op. Al zijn dat meestal de gevallen waarin de orator de grenzen van het format opzoekt, of zelfs overschrijdt. Ik herinner me met veel plezier een oratie waarin de jonge hoogleraar achter het katheder vandaan kwam om zo toch enigszins contact met het publiek te kunnen maken. Klinkt onschuldig, was tamelijk revolutionair en nog veel revolutionairder werd het aan het einde, toen de hoogleraar een protestbord omhoog hield (Prof Strike for Climate) en zo naar de receptie vertrok, terwijl het orgel Beds Are Burning speelde.
Dat was altijd met afstand mijn favoriete oratie, maar nu is er een nieuwe kanshebber: de oratie van Maaike Endedijk, hoogleraar professioneel leren en technologie aan de Universiteit Twente. Endedijk oreerde vorige week donderdag. Ik was er niet bij, maar werd getipt door een collega en keek de oratie terug op de website van de Universiteit Twente.
Indrukwekkend, vond ik het. Met geniale details ook, zoals de bingokaart met woorden die in de oratie voorkwamen, waardoor een verhaal over ‘het samenspel van leren, werk en technologie in tijden van transitie’ ineens ook leuk werd voor luisteraars onder de 18 jaar.
Aan de andere aanwezigen legde Endedijk uit hoe werknemers leren. Dat deed ze met behulp van muziekstukken, die tijdens de oratie live gespeeld werden. Ook door Endedijk zelf, die op haar contrabas The Sound of Silence speelde, en de zaal liet meezingen. Heerlijk.
Maar het allerindrukwekkendst was het eind. Endedijk vertelde dat ze zelf machtsmisbruik en intimidatie had meegemaakt, en dat ze niet meer in de wetenschap zou werken, als er niet op het juiste moment iemand achter haar was gaan staan. Ze bedankte hem daarvoor, maar benadrukte ook: dit is geen dankwoord, maar een pleidooi.
Een pleidooi voor cultuurverandering. Want wat haar overkomen is, overkomt ook andere wetenschappers, steeds weer. Onderzoek na onderzoek laat zien dat machtsmisbruik een reëel probleem is in de academie.
Macht hebben is ook niet gemakkelijk, natuurlijk. Probeer het maar eens, als hoogleraar. Je hoort al sinds je kunt praten hoe slim je bent. Je was vrijwel altijd de beste van de klas, je bent na heel lang heel hard werken hoogleraar geworden. En nu mag je woorden gebruiken die je collega’s niet mogen gebruiken, kleren dragen die je collega’s niet mogen dragen, op stoelen zitten waar je collega’s niet op mogen zitten.
Ja, voor je het weet denk je dan dat je allerlei andere dingen ook mag, zoals je macht misbruiken om de wetenschappers onder je te kleineren. En soms mag dat ook, van degenen die erover gaan, zolang je maar genoeg geld binnenhaalt.
En daar heeft Endedijk genoeg van. Of, zoals ze het zelf zei: “Sta op / Als wangedrag wordt afgewogen / Tegen iemands verdiensten / Want het is geen balans of rekensom / Geen prestigieuze grant, geen H-index van 85 / Mag een vrijbrief zijn / Voor het beschadigen van een ander.”
Elke verandering, vervolgde Endedijk, begint immers met één iemand die opstaat.
En soms, voeg ik daaraan toe, met één iemand die gaat zitten – op een stoel die eigenlijk voor een hoogleraar is.