Ook een geniale uitvinding wordt niet zomaar een succes

Verschenen in Trouw, 21 februari 2026

Een backflip, broers samen op het podium, een skiër die gele sneeuw inzet voor politieke boodschappen: ook deze Olympische Spelen kennen weer vele hoogtepunten. Wat tussen al die hoogtepunten dreigt onder te sneeuwen: de nieuwe aflevering van Andere Tijden Sport. Al bijna twintig jaar luisteren de NOS en de NTR grote sportevenementen op met nieuwe afleveringen van dit onvolprezen geschiedenisprogramma. Helaas is het huidige seizoen het laatste, want Andere Tijden Sport is één van de vele slachtoffers van de bezuinigingen op de publieke omroep.

Eeuwig zonde, want vrijwel elke aflevering is een pareltje. Neem Hoe een bordeel de Tour binnenrijdt, over de eerste teambus in het wielrennen, gesponsord door Sauna Diana. Of De triomf van een schaatsmoeder, over Atje Keulen-Deelstra, verplicht voor iedereen die de afgelopen weken iets heeft gezegd over Lollobrigida, moederschap, medailles, taboes doorbreken en emancipatie. En mijn persoonlijke favoriet: Gouden Gerard en het klappen van de schaats.

Die aflevering gaat over Gerard van Velde, maar ook over de klapschaats, en over een cruciaal thema uit de wetenschaps- en techniekgeschiedenis: de route van briljante uitvinding naar breed gebruik. Die route wordt vaak onderschat, zeker ook door wetenschappers zelf, die soms denken dat als hun vinding maar geniaal genoeg is, de gebruikers zelf wel zullen komen.

Zij zouden ‘Gouden Gerard’ moeten kijken.

Wetenschappelijk gezien is het simpel: bij klassieke noren komt de schaats los van het ijs voordat de knie volledig gestrekt is, waardoor je met gebogen been moet afzetten. “Een beetje gehandicapte afzet”, aldus bewegingswetenschapper Jos de Koning in Andere Tijden Sport, “en als je een gehandicapte afzet hebt, ja, dan wil je daar natuurlijk iets aan doen.” En dus bedachten de bewegingswetenschappers, onder leiding van hoogleraar Gerrit Jan van Ingen Schenau, iets nieuws: een scharnierende schaats, die schaatsers met gestrekt been liet afzetten. De klapschaats.

De klapschaats ontstond midden jaren tachtig, en in oktober 1985 sprak Van Ingen Schenau met bondscoach Henk Gemser. Gemser was meteen enthousiast, maar hij hoefde er niet op te rijden. Dat waren de schaatsers. En die wilden niet.

Of eigenlijk: hun leider, wereldkampioen Hein Vergeer, wilde niet. Vergeer, tegen Andere Tijden Sport: “Je moet je voorstellen, dan ben je kampioen, en dan komt je coach naar je toe, Henk Gemser. Die zegt: ‘Jongens, luister, nu komt de professor, die komt uitleggen dat we nog veel harder kunnen schaatsen dan dat we dat altijd al doen.’ Tuurlijk.”

‘De professor’ was vooraf al kansloos, bleek uit het sarcastische ‘tuurlijk’. Vergeer is niet het type dat zich wat dan ook door anderen laat uitleggen, laat staan datgene waarin hij wereldkampioen is. Hij stond nog wel een halfuurtje op de nieuwe schaatsen, maar vond het niets, en dus wilde de rest van de kernploeg er ook niet aan.

Einde klapschaats, voor die generatie. Pas tien jaar later trekken Zuid-Hollandse junioren de klapschaatsen weer aan. Als een van hen prompt de 500 meter wint op het NK Allround, durven de vrouwelijke senioren het ook. De mannen volharden in hun afwijzing. Andere Tijden Sport toont Rintje Ritsma, Bart Veldkamp en Annamarie Thomas, gedrieën op een bankje. Thomas klapt vrolijk met haar nieuwe schaats; Veldkamp en Ritsma schamperen dat het niets wordt. Thomas: “Ik schaats er heel lekker op.” Ritsma, na een wegwerpgebaar: “Ik denk dat het een damesschaatsje is.” Veldkamp volgt meteen: “Ja, typisch dames.”

Een damesschaatsje. Tja. Toen die dames op die schaatsjes iedereen eraf reden, draaiden de mannen toch bij, bestelden ze allemaal klapschaatsen, en waren ze blij dat de ontwikkelaars ondanks hun afwijzingen hadden doorgezet.

Dus, wetenschappers, technici en andere knutselaars: weet dat gebruikers niet vanzelf komen. Maar weet ook dat je, als je uitvinding echt goed is, niet te veel naar sputterende gebruikers moet luisteren. Zeker niet als dat eigenwijze mannen zijn.